Het laatste huis
Het geluk van dit huis is nog altijd berucht:
in haar kamers knaagden onstilbare magen,
zwoegden computers, gilden actrices om
aandacht (hun nagels steken nog in het behang),
galmden de echo ‘s van slacht- en spoelhok,
kraakte scharnierwerk uit Pruisen, onbeschaamd
schmierend: hier wordt geleefd!
Hier schreef men wijsgerig alles onfeilbaar
herleidend tot minder dan water: materie,
het is nog steeds uit het vuil op de ruiten te lezen:
zoals een traan niet kan falen, niet na is te maken
en nergens toe leidt, zo ongelikt is het leven.
Uit dit huis komt juist de nieuwe
bewoner naar buiten, gooit de deur in het slot,
kijkt op noch om, zet zich doodleuk in beweging
met zo ’n gezicht van kijk ons eens, wij hebben
geen vleugels, pantser of vacht, wij zouden
niet kunnen bestaan en toch zijn wij hier
heer en meester.
Uit SNIJDERSEILAND, 2012
Blind geboren
Blind geboren maar levensvatbaar (waarschijnlijk)
sluipt weer een dag uit het duistere ei van de tijd.
In de verte, op de rivier, ronken de schepen
onder het wispelturige licht van oktober.
Het gulle leven, de lokkende diepte van hemel
en afgrond,
i-pad, tv, ja, alles is hier aanwezig en doet het.
Zacht ruist het bloed in de diepte. En klinkt een sirene
dan juicht het hart: er is hulp onderweg.
Wij horen hier niet.
We moeten hier evenwel zijn.
De rivier haalt haar slib uit de bocht en legt het
een eind verderop.
Parkeergarage in aanbouw
wordt pre-historisch paleis.
Uit SNIJDERSEILAND, 2012
Onder de sterren geslapen
Onder de sterren geslapen. Lang in de tijd
liggen kijken, in de ijlende, krijsende ruimte,
de vreemde vreugde die dat ondenkbare schept.
Ik zag een foto die iemand vanuit een kuil had genomen.
Uitzicht vanuit een graf, stond eronder. Je zag
een stuk van de hemel en de dunne kruinen van bomen.
Ik denk aan mijn vader, heel ver van huis, niet meer
bij machte terug te keren.
En aan mijn ex die ik plots bij mijn tandarts aantrof,
boven mijn wijdopen mond, mooier en harder dan ooit,
met een slang in haar hand om het gruis en het vocht
weg te zuigen. Daar lag ik.
Ik zou zo graag licht willen reizen, met in mijn rugzak
niet meer dan wat kleren, een veldfles,
een pen en papier.
Uit SNIJDERSEILAND, 2012
Voortschrijdend licht
Daar gaat de bloemist met zijn kransen,
die net als de dichter belang heeft bij sterfte,
het delicate herdenken, het stilstaan bij kuilen
en resten, hij haast zich.
Spullen hebben zijn klanten te over, maar tijd?
Wanhoop en haastwerk achter een masker
van glanzend drukwerk. Lachende derden willen
ze zijn, tot op het laatst.
Alles draait op den duur om verdwijnen. Daarom
zetten ze blijvers als hardstenen klokken en klepels
in een omlijsting van snoeistrakke heesters.
Voortschrijdend licht tegen lood om oud ijzer.
Illusionisten en rouwbegeleiders, dubbel beleg
op hun brood, hangen als vleermuizen
ondersteboven, rekken de tijd.
Uit RAADSELWATER, 2015
De raadselestafette
Droevige warmte hangt in de bomen.
Winters mogen voorbij gaan, maar zomers.
Onder de heg wacht een lijster. Waarop?
Op applaus?
Waar stront taalt naar strontvlieg en zaad
zich verplaatst in de darmen van vogels,
daar kun je alles verwachten.
Terug redenerend ontdek je patronen zo
grillig alsof ze blind zijn getekend.
We moeten evenwel verder.
Het raadsel dragend, de een aflossend de ander,
en zo maar voort,
je weet niet eens wat je doorgeeft.
Uit RAADSELWATER, 2015
Bladzij
De stamvolle trein doorgeduwd
tegenover een meisje een zitplaats gevonden.
Ze leest. Haar rode rugzak staat naast haar.
Scherp gebeeldhouwde knieën, halfhoge laarzen.
Ze leest over duistere zaken, dat moet wel,
zo donker glijden haar ogen over de regels.
Nochtans, haar hand streelt de bladzij,
zo lijkt het.
Dan sluit ze het boek en staart lang naar buiten.
De trein mindert vaart.
Als ze opstaat, wordt het pas zichtbaar:
ze is zwanger.
Ik zie nog een glimp van haar op de roltrap.
Dan gaat ze op in de massa.
Uit DE SPRONG VAN DE VIS, 2021
De sprong van de vis
In het tanende licht van oktober, niets
is blijvend, landt een wolk op het water.
Een vis springt, valt terug in zijn lijfgoed,
verzilvert de stilte.
Met mijn langzaamste pen schrijf ik: tijd
is een zeer kleine ruimte
maar op dit eiland onder de hemel
kom ik op adem,
bij deze weidsheid verbleekt alle wijsheid,
dit uitzicht blaast al het denken het hoofd uit.
Tederheid regent, hulpeloos is het licht.
Daar is de vis weer.
Wat je niet kan bevatten en zich
toch
helder meedeelt.
Uit DE SPRONG VAN DE VIS, 2021
Mysteries
De inkt van de schrijvers was nog niet droog
of er werden kelders gegraven, stenen op stenen
gestapeld, heilige huizen gebouwd
Basiliek aan de rand van de brede, meurende zee
die alles vergeeft en vergeet.
De sarcofagen zijn leeg. In deze hardstenen kuipen
l
lagen de VIPS te ontbinden.
De archeologen buigen zich over een frêle skelet.
Ben je naakt als je geraamte op wordt gegraven?
Buiten jubelt het licht. Met de zon op hun rug
drijven wolken voorbij en ik kom na een bad in zee
als verlicht uit het water.
Dan moet er toch iets zijn gebeurd.
Was het haar zoete verschijning?
In een geur van heiligheid liep ze voorbij.
Het was de wind die haar rok optilde, maar kort,
in een flits, als om het mysterie te tippen maar
het voor alles mysterie te laten.
Uit DE WEG NAAR HUIS, 2025
ZONDAGNAMIDDAG
Zondagnamiddag, krekels naaien de stilte.
Ik volg de spoorbaan, de brandnetels bloeien,
de bramen smaken naar niets en naar bloed.
Het dorp ligt verscholen in dichte
grijzen.
Ik herken het, dit lopen: zo kwam ik thuis.
Van het nog warme huis staan de ramen wijd open.
Het bijna doorzichtige hoofd in de
kamer
is van mijn vader, hij kijkt naar buiten.
In hemdsmouwen wacht hij op onweer en regen.
Zo jongen, zal hij wel zeggen, dat
is lang geleden.
Wat brengt je hier, waar heb je gezeten?
Hij vraagt niets maar gebaart: hoor, het begint.
Hij loopt naar de deur, naar de
stromende regen.
Hij zal zwijgen en knikken en alles vergeten.
Uit OMWEGEN, 2001
Opgenomen in “25 jaar
Nederlandstalige poezie, 1980 – 2005”, BnM Uitgevers
Opgenomen in “Dagkalender van de Poezie - 2010”, Meulenhoff
KLEINE PASTORALE
In D. heerst de rust van een
nacht op het land.
De inwoners slapen. De schoorstenen stomen
hun zweetlucht naar buiten, het blaffen der honden
verstomt. De lijven draaien zich nog eens om,
hun kleine lusten steken de kop in dromen.
In dit dorp, waar het kwaad niet
kan komen,
rust zacht de hand, luiert de pols op de rand van
het bed, sluipt de weemoedige wesp langs
het laken omhoog, bevuilen de luizen
de eens zo blanke agenda.
Lazarus lepelt de wacht zijn
eieren uit,
totdat hij zich wakker zal braken.
Aan de muur een verouderde kaart van Europa.
Uit OMWEGEN, 2001
Opgenomen in “Vrede is
eten met muziek –
sporen van oorlog in de Nederlandse poezie”, 2006, Van Gennep
Opgenomen in “Dagkalender van de Poezie – 2009”, Meulenhoff
NATUURLIJKE HISTORIE
Heel vroeger hadden de mensen
niets anders
te doen dan naar de sterren te kijken.
Ze hingen wat rond bij een bron en leefden van
noten en vijgen.
In vorige werelden was er of
stront of niets dan
hel engelenzang uit zeer strenge engelenstrotten.
Er was ooit een wereld waar zwaluwen zwijnen
knipten en schoren, voor niets.
Er was eens een tuin, een lusthof
met
onaanraakbare bomen,
een pad vervoerde een kar, geladen met boeren,
vervolgens een koets met dichters en denkers,
een koets met geleerden, techneuten en klerken,
daar achteraan een wagen vol tweedracht en
twijfel. En zaad.
Uit HET VERLANGEN TE VERDWALEN,
2004
Opgenomen in “De 100 beste
gedichten van 2004”, Arbeiderspers
ZOMER
Spilzieke zomer: het grote
dringen van
mensen, beesten en browsers,
van al wat
zich voortplanten wil.
Daarbuiten het best
bewaarde geheim van de wereld:
de eindeloosheid en wat
daaromheen ijlt.
Er zal nog het een en ander
passeren,
daar kan men donder op zeggen
of
vast een boek over schrijven,
bladzijden vol
over stranden waar personages
zich hevig
vervelen en dingen zeggen als:
wij zijn de doolhoven door en
uiterst bedreven
geraakt in het leven.
Hoe zullen ze later kijken naar
ons?
Zijn mensen ooit zo gelukkig
geweest?
Uit HET STILTEREGISTER, 2006
Opgenomen in “De 100 beste
gedichten van 2006”, Arbeiderspers
Opgenomen in “Dagkalender
van de Poezie 2008”, Meulenhoff
ONVERWACHT BEZOEK
God woont ver weg.
Ik heb zelfs zijn honden nooit
horen blaffen.
Ik heb van zijn brood gegeten
maar ik
verleerde van hem te spreken.
Hij schreef mij nog wel eens en
vroeg het
dan weer: waar is je broer?
Wel, zijn Volvo staat hier voor
de deur,
zijn groot licht gericht op de
hemel.
Hij gaat juist vertrekken.
Van auto ’s houd ik alleen in
de nacht.
Hun harde glans en de kracht
van hun
brullende motor, hun draai in
het opspattend grind.
Uit HET STILTEREGISTER, 2006
Opgenomen in “Dicht! De
beste poezie, slamdichters en rapteksten”, 2009, Rainbow Pockets